MULTIPLE EXOSTOSEN
IN
KORT BESTEK
Informatiebulletin, juni 2001 (2e/herziene
versie)
Jan de Lange (1)
Download Document in PDF format
Dit artikel/informatiebulletin is voor de eerste maal verschenen ten behoeve van de eerste lotgenoten-contactdag voor partners, familieleden en mensen met multiple exostosen gehouden op 6 juni 1998 in Tynaarlo, Drenthe. Inmiddels is er na deze eerste lotgenotendag een actieve lotgenotencontactgroep opgericht (2). Deze tweede herziene versie (juni 2001) is aangepast aan de hand van nieuw verschenen literatuur en huidige inzichten. Met dank aan een aantal deskundigen (3). Er is naar gestreefd om op een duidelijke manier zonder te veel medische terminologie uitleg te geven over multiple exostosen. In verband met de leesbaarheid is er voor gekozen om in de tekst niet allerlei verwijzingen te maken naar de literatuur, maar aan het eind wordt verantwoord welke literatuur is gebruikt. Zie literatuurlijst. In dit informatiebulletin wordt voor de aandoening multiple exostosen de term Hereditaire Multiple Exostosen gebruikt, welke dikwijls wordt afgekort als HME. Dit is momenteel de meest gehanteerde term. Hereditaire Multiple Exostosen betekent letterlijk: erfelijke veelvuldige botwoekeringen.
INLEIDING
Hereditaire Multiple Exostosen (HME) is een
skeletaandoening die vooral de lange pijpbeenderen aantast en gekarakteriseerd wordt
door de aanwezigheid van vele exostosen (botuitwassen) in het gebied nabij de gewrichten.
Deze aandoening werd voor het eerst beschreven in 1786 door Hunter. Het was Virchow
die in 1876 deze ziekte het multiple exostose syndroom noemde. In de literatuur
komt men nog verschillende andere namen tegen zoals multiple cartilaginaire exostosen,
diaphyseaal aclasie, chondraal osteoma, dyschon-droplasie, (multiple) osteochondromatosen,
EXT of multiple erfelijke osteochrondromen. HME wordt niet enkel bij de mens aangetroffen,
maar komt ook voor bij paarden, katachtigen, honden en hagedissen. Exostosen werden
zelfs aangetroffen in de beenderen van een dinosaurus.
VERSCHIJNSELEN
HME uit zich in het ontstaan van benige uitwassen
(knobbels/botuitwassen/ botwoe-keringen) oftewel goedaardige tumoren aan de buitenkant
van een bot, voorzien van een kraakbeenkap en omgeven door een slijmbeurs (bursa).
Exostose is de klinische term voor deze botuitwas en osteochondroom is de terminologie
die in de pathologie wordt gehanteerd. De exostosen zijn gelokaliseerd op de pijpbeenderen
tussen het middenstuk (diafyse) en het eindstuk (epifyse) ter plaatse van de zogenaamde
metafyse waar zich ook de groeischijf bevindt; daarnaast komen exostosen voor op
de platte botten van de schoudergordel en het bekken. Exostosen/osteochondromen
ontstaan in die botten die door middel van een groeischijf (enchondrale verbening)
zijn ontstaan.
Microscopisch wordt in een osteochondroom,
op de overgang tussen bot en kraakbeen, een soort verstoorde groeischijf gezien.
De exostosen worden meestal pas opgemerkt op de peuter- of kleuterleeftijd en hebben
de neiging tijdens de groei steeds groter te worden.

Exostose is hier door middel
van een steeltje verbonden aan het bot.
De
vorm van de exostosen is tamelijk grillig en varieert van een van het gewricht af
gerichte puntige exostose (gesteeld) (Figuur 1) tot een brede gezwelachtige
vervorming (brede basis) (Figuur 2).

Figuur 2
Exostose
is hier door middel van een brede basis verbonden aan het bot.
Zelfs na operatieve verwijdering van een exostose bestaat er een mogelijkheid dat de exostose op dezelfde plaats weer opnieuw uitgroeit. Volgens sommige literatuur is er zelfs een kans van 30 – 50% op het opnieuw ontstaan, een recidief, van een verwijderde exostose. Het aantal exostosen wisselt sterk, maar bedraagt al gauw enkele tientallen. Tabel 1 geeft een overzicht van de lokalisatie van de exostosen in het menselijk lichaam met hun frequentie van voorkomen.
Tabel 1
Plaats waar de exostosen voorkomen (lokalisatie)
en
aantallen (frekwentie) in procenten op welke plaats
exostosen gezien worden
bij HME.
| Plaats van voorkomen | Frekwentie in % |
| bovenbeen/femur (onderste gedeelte) | 90 |
| scheenbeen/tibia (bovenste gedeelte) | 84 |
| kuitbeen/fibula (bovenste gedeelte) | 76 |
| bovenarm/humerus (bovenste gedeelte) | 72 |
| bovenbeen/femur (bovenste gedeelte) | 66 |
| scheenbeen/tibia (onderste gedeelte) | 64 |
| ellepijp/ulna (onderste gedeelte) | 61 |
| spaakbeen/radius (onderste gedeelte) | 60 |
| kuitbeen/fibula (onderste gedeelte) | 57 |
| voet | 35 |
| schouderblad/scapula | 34 |
| hand | 33 |
| ribben | 31 |
| bekken | 28 |
| sleutelbeen/clavicula | 22 |
| spaakbeen/radius (bovenste gedeelte) | 18 |
| ellepijp/ulna (bovenste gedeelte) | 15 |
| voetwortelbeentjes/tarsalia | 9 |
| handwortelbeentjes/carpalia | 7 |
| wervels/vertebrae | 7 |
| bovenarm/humerus (onderste gedeelte) | 5 |
| borstbeen/sternum | 1 |
Exostosen op de schedel
of de aangezichts-beenderen komen niet voor. Deze botten ontstaan immers niet d.m.v.
een groeischijf.

Figuur 3
Exostose
aan het bovenste gedeelte van bovenarm/ humerus en goed zichtbaar aan de buitenkant.
Na het voltooien van de groei, als de groeischijf gesloten is, worden de exostosen veelal niet groter. Op latere leeftijd kan er een stabiele situatie ontstaan. Controle blijft echter gewenst. Zeker bij klachten. HME komt vaak geïsoleerd voor, maar kan ook deel uitmaken van een andere skeletaandoening, zoals het zogenaamde Langer-Giedeon syndroom (LGS) dat gepaard gaat met nog andere afwijkingen. Ook komt het veel voor dat mensen slechts één enkele exostose hebben zonder dat dit in hun familie voorkomt. Dit heeft in dit geval niets te maken met de ziekte Hereditaire Multiple Exostosen en men spreekt dan van een solitaire exostose.
DIAGNOSTIEK
HME is als klinische diagnose
vaak eenvoudig vast te stellen aan de hand van röntgenfoto’s, (Figuur 4)
soms is aanvullend onderzoek nodig in de vorm van een CT-scan (computer-tomografie),
een nucleaire bot-scan of door middel van de meest recente beeldvormings-techniek,
MRI (magnetic resonance imaging).

Figuur 4
Aanwezigheid van multiple exostosen
aan het scheenbeen/tibia, kuitbeen/fubula en bovenbeen/femur van een HME-patiënt.
Bij het operatief
verwijderen van een “normale exostose” is het altijd aan te raden om het verwijderde
weefsel door de patholoog te laten onderzoeken om de benigniteit/ goedaardigheid
van de exostose te bevestigen. Dit is in de praktijk
vaak al routine.
Indien gewenst kan
materiaal worden aangeboden aan de Nederlandse Commissie voor Beentumoren
voor medebeoordeling. Deze commissie is gehuisvest in het Leids Universitair Medisch
Centrum en bestaat uit orthopedisch chirurgen, radiologen, radiotherapeuten, oncologen
en pathologen gespecialiseerd op het gebied van bottumoren. De commissie stelt/
bevestigt de diagnose en kan een behandeladvies geven.
AANTALLEN
HME komt bij ongeveer
10-23 op de 1.000.000 mensen voor. Dit betekent voor Nederland, dat bij een inwoneraantal
van ± 16 miljoen, er ongeveer 160 tot 368 mensen met hereditaire multiple exostosen
zouden kunnen zijn.
Op drie en een half
jarige leeftijd is in 50% van de gevallen de HME ontdekt en op 12 jarige leeftijd
is bijna 100% van de gevallen van HME ontdekt.
Ook hier kan DNA-onderzoek, naar de bekende
genafwijking van de vader of moeder die HME heeft, de diagnose definitief bevestigen
of juist uit sluiten.
COMPLICATIES
Vergroeiingen
Er kunnen zich bij mensen met HME vergroeiingen
voordoen, doordat bijvoorbeeld de exostosen verkorting van de pijpbeenderen veroorzaken.
Als gevolg hiervan wordt gezien dat mensen met HME korter kunnen zijn dan gemiddeld.
Dit is echter zeker niet altijd het geval.
Behalve korter zijn
de pijpbeenderen ook vaak breder aan de uiteinden en laten niet zo’n mooie gladde
en ronde vorm zien maar een verbreding (brede metafyse).

Figuur 5
Karakteristieke
misvorming van de voorarm van een HME-patiënt.
De naastgelegen botten kunnen met elkaar
vergroeien (fuseren), wat nadelig is voor de functie van een ledemaat; b.v. het
kuitbeen en het scheenbeen aan de bovenkant of onderkant van het onderbeen.

Figuur 6
Verkromming
van de middelvinger bij HME.
Exostosen gelokaliseerd
aan de bovenzijde van het bovenbeen kunnen resulteren in
bewegingsbeperking en dwangstand van de heupgewrichten.
Zo wordt vaak gezien dat de heupen bij patiënten met HME “steiler” zijn dan normaal
(Figuur 7). Wanneer deze hoek te groot wordt kan dit zelfs leiden
tot een beeld zoals gezien wordt bij kinderen met aangeboren heupdysplasie.

Figuur 7
Typische steile heupen
bij patiënten met HME (ononderbroken pijl wijst op de steile hoek). De metafyse
is erg breed (onderbroken pijl).
Kwaadaardigheid
Bij volwassen HME-patiënten is er een
verhoogde kans op kwaadaardige ontaarding van het kraakbeenweefsel van een exostose
tot een chrondrosarcoom, vooral bij de exostosen van de schoudergordel, het
bekken, de ribben en het bovenbeen.
Over de kans op kwaadaardige
ontaarding worden in de literatuur verschillende cijfers gehanteerd. Eerder werd
gesproken over een kans van 5–10 % en in recente literatuur gaat men uit van 0,5–2%
(McCormick et al) of 1–5% (Bovée) kans op kwaadaardige
ontaarding.
In ieder geval zou men elke twee tot drie
jaar alle bekende exostosen moeten bekijken middels röntgenfoto’s, om veranderingen
uit te kunnen sluiten.
Overige complicaties
In zijn algemeenheid kan gezegd worden dat de
druk die de exostosen op het naburige weefsel (zenuwen, spieren, pezen, bloedvaten
e.d.) uitoefenen, verschillende problemen kunnen veroorzaken.
In een publicatie
werd bij 14% van een onderzochte groep HME-patiënten ook gewrichtsontsteking/arthritis
als complicatie van HME genoemd. Dit ontstaat op jongere leeftijd dan bij mensen
die geen HME hebben.
Gelukkig hoeft HME in veel gevallen, behoudens af en toe een chirurgische ingreep, niet tot complicaties te leiden.
ERFELIJKHEIDSASPECTEN
Hereditaire Multiple
Exostosen is een erfelijke aandoening en wel autosomaal dominant. Dat wil zeggen
dat wanneer de vader of moeder de aandoening heeft elk kind een kans van 1 op 2
(50%) heeft op HME. Er is dan dus ook een kans van 50% op een gezond kind. De afwijking
kan zowel door mannen als door vrouwen worden doorgegeven. De afwijking slaat geen
generatie over. Familieleden zonder afwijking
kunnen deze in principe ook niet doorgeven.
In 40% van de gevallen
is er echter sprake van een nieuwe mutatie en spelen erfelijke factoren geen rol.
Dan krijgt een kind spontaan HME en heeft dit dan niet gekregen van zijn of haar
vader of moeder. Bij zo’n nieuwe (eerste) mutatie blijkt dat de verschijnselen van
de HME gemiddeld ernstiger zijn dan iemand die HME door middel van erfelijkheid
(mutatie van vader of moeder) heeft gekregen. Iemand die op deze spontane manier
(nieuwe mutatie) HME heeft gekregen kan de ziekte wel weer doorgeven aan zijn kinderen
met dezelfde kans van 50% dat zij HME krijgen.
In iedere lichaamscel van de mens bevinden zich 46 chromosomen,
te verdelen in 23 paren. Op ieder chromosoom bevinden zich vele erfelijke eigenschappen,
de genen. Alle genen hebben we in principe in tweevoud. Bij een dominant erfelijke
ziekte is er in één van beide genen een afwijking ontstaan. Dit afwijkende gen overheerst
het gezonde gen en doet vroeg of laat symptomen ontstaan.
Van HME is bekend dat wanneer het afwijkende
gen aanwezig is, er in vrijwel alle gevallen exostosen ontstaan. De mate waarin
kan echter variëren en kan soms onopgemerkt blijven. Er is bijvoorbeeld bekend
dat in uitzonderlijke gevallen bij sommige vrouwen (incomplete penetrantie) wel
een genafwijking aanwezig is, zonder dat zij exostosen krijgen.
Erfelijkheidsdeskundigen/genetici
spreken over EXT als benaming voor Multiple Exostosen.
Tabel 2
Chromosomen met bijbehorende genen
die zijn
vastgesteld als oorzaak voor HME.
| Chromosoom | Naam van gen |
| 8 | EXT1 |
| 11 | EXT2 |
| 19 | EXT3 |
Over het bestaan van
EXT3 op chromosoom 19 bestaan momenteel nog erg veel twijfels en dit gen is ook
nog niet geïdentificeerd. EXT1 op chromosoom 8 en EXT2 op chromosoom 11 zijn
reeds geïdentificeerd. Hierbij blijkt dat men in ongeveer 50% van de gevallen een
mutatie in EXT1 en in ongeveer 33% van de gevallen een mutatie in EXT2 heeft. Mutaties
tegelijk in EXT1 en EXT2 komen niet voor.
Om de genen te onderzoeken
is DNA-onderzoek nodig. Momenteel is dat gelukkig in Nederland goed mogelijk. In
Rotterdam (Willems) wordt in principe voor geheel Nederland het DNA-onderzoek van
een bloedmonster naar de bekende afwijkende genen van HME (EXT1 of EXT2) uitgevoerd.
Ook kan dit sinds kort in Leiden (Breuning) plaats vinden. Helaas wordt niet in
alle gevallen een afwijkend gen gevonden, dus zijn er ook nog andere actief.
BEHANDELING
Op dit moment is behandeling gericht op genezing van HME niet
mogelijk. Dat betekent dat de behandeling in het teken staat van het verwijderen
van de exostosen en het behandelen van de gevolgen en complicaties van de HME
Operatief
Het is
uiteraard niet mogelijk om bij HME alle exostosen te verwijderen. Zo nodig kan bij
bewegingsproblemen, ernstige pijn, beknelling van zenuwen of soms om kosmetische
reden een exostose operatief verwijderd worden aan de basis van de woekering. Afhankelijk
van de plaats in het lichaam, de grootte van de exostose en de eventuele nabijheid
van zgn. vitale structuren (belangrijke bloedvaten en zenuwen) kan de verwijdering,
excisie van de exostose, variëren van een zeer eenvoudige tot een zeer uitgebreide
ingreep (Figuur 8).


Figuur 8
Voorbeeld
van het verwijderen, excisie, van een exostose (gesteeld).
Soms kan men besluiten een gedeelte van een
bot meteen te verwijderen. Dat kan alleen in bepaalde gebieden, b.v. bij een exostose
van het kopje van het kuitbeen, waarbij druk op een belangrijke zenuw (nerveus peroneus)
aan de orde is. Dit kopje kan dan beter in
zijn geheel worden verwijderd tezamen met de exostose.
Wanneer bij jonge patiënten de exostose nog
te dicht bij de groeischijf ligt, kan overwogen worden de operatie uit te stellen
vanwege het risico van beschadiging van deze groeischijf, waardoor groeistoornissen
kunnen ontstaan.
Operatieve verwijdering
van exostosen kan echter ook complicaties geven. Zo kan weefsel beschadigd raken.
Bekend is de soms blijvende beschadiging van zenuwweefsel, waardoor geheel of gedeeltelijke
gevoelloosheid ontstaat in de buurt van het operatiegebied. Het is mogelijk dat
het spierweefsel minder sterk wordt, waardoor spieren verslappen en functieverlies
ontstaat.
Bij vergroeiingen
kunnen eventueel correc-tieve operaties uitgevoerd worden. Dit kan gebeuren
door b.v. een ingreep uit te voeren waardoor er verlenging van het bot wordt bewerkstelligd.
Dit gebeurt nogal eens bij onderarmen. Het is tevens mogelijk om een operatie uit
te voeren waarbij het bot wordt doorgenomen en in een betere stand wordt gebracht
(correctie-osteotomie). Indien er een scheefstand van één of beide benen, X-benen
(genua valga) is ontstaan bij nog niet gesloten groeischijven (nog niet uitgegroeid
skelet) kan deze afwijking gecorrigeerd worden. Hierbij wordt operatief met
krammen (methode volgens Blount) als het ware één kant van het been
tijdelijk geblokkeerd in de groei,
waardoor het been recht kan groeien (epifysiodese).
Pijnbestrijding
Van belang is dat mensen
met HME die pijn hebben, ondanks het verwijderen van exostosen of juist als er geen
mogelijkheid is om de exostose te verwijderen, met deze pijn goed leren om gaan.
Soms kan adequate pijnbestrijding met medicatie voor kortere of langere tijd een
oplossing bieden.
Maar ook als de pijn
chronisch van aard wordt kan het zinvol zijn om middels een cursus-programma
te proberen de pijn de baas te worden. Op sommige lokaties worden hiervoor cursussen
georganiseerd, met name in de revalidatiecentra.
Fysiotherapie
In sommige gevallen kan fysiotherapie een uitkomst zijn. Daar
waar door pijn of andere oorzaken de beweeglijkheid belemmerd wordt, kan fysiotherapie
in de vorm van massage, oefeningen of soms manuele therapie de klachten mogelijk
verminderen of zelfs doen verdwijnen.
Revalidatiebehandeling
De laatste tijd is er goede ervaring opgedaan met
het behandelen van HME-patiënten in een gespecialiseerd revalidatiecentrum. Na acceptatie
via een intake door een revalidatiearts wordt in dagbehandeling met een frequentie
van twee tot drie maal per week gedurende enige maanden een multidisciplinaire behandeling
toegepast.
Zo’n multidisciplinair team voor de behandeling
van HME kan bestaan uit een fysiotherapeut, een ergotherapeut, een bewegingsagoog,
een hydrotherapeut (bewegen in water), een maatschappelijk werker of een psycholoog
en natuurlijk de revalidatiearts zelf. Dit houdt in dat aan alle aspecten van de
mens vanuit een holistische mensvisie aandacht wordt besteed.
Het doel van de behandeling
is het voorkomen en/of verminderen van de beperkingen die de HME tot gevolg heeft,
hierbij kan soms ook gebruik gemaakt worden van hulpmiddelen.
Soms kan een gespecialiseerd team ingezet worden, zoals een pijnteam of een arbeidsrevalidatieteam. Ook een aangepast sportadvies kan aan de orde zijn. Bij voetproblemen kan de revalidatiearts, in samenwerking met de orthopedisch schoen-maker, aangepast schoeisel adviseren. Bij jonge kinderen kan een gerichte looptraining en/of houdingstraining onderdeel van de behandeling zijn.
TOEKOMST
Erfelijkheidsaspecten
Het verder bestuderen van het erfelijk materiaal
(DNA) en de verwijderde tumoren van mensen en families met HME, moet het in
de toekomst mogelijk maken alle bestaande HME-genen te karakteriseren. Verder tracht
men meer inzicht te krijgen in de mechanismen hoe exostosen ontstaan. Hierbij worden
niet alleen analyses uitgevoerd van bloedmonsters, maar ook van b.v. huidbiopten.
Exostosen zelf
Bij de afdeling Pathologie in het Leids
Universitair Medisch Centrum (Hogendoorn en Bovée) is men met onderzoek bezig waarbij
vooral wordt gekeken naar de genetische veranderingen die in de osteochondromen
zelf plaats vinden. Zo is gebleken dat een exostose/ osteochondroom geen ontwikkelingsstoornis
is in het weefsel, maar dat het een nieuwvorming (neoplasma = goedaardige tumor)
is. De tumoren bevatten vaak te veel of te weinig DNA en bepaalde stukken
uit het DNA zijn vaak verdwenen.
Bij de groei van exostosen spelen verschillende
ingewikkelde eiwitten/groei-regulatoren een rol, die afwezig bleken te zijn bij
exostosen en bij kwaadaardige kraakbeen-tumoren wel aanwezig waren. Hiervoor is
ook gebruik gemaakt van materiaal afkomstig van verwijderde exostosen van HME-patiënten.
In de toekomst hoopt
men door verder onderzoek op dit terrein een betere methode te ontwikkelen om de
diagnostiek van goedaardige en kwaadaardige kraakbeentumoren te verbeteren. Want
dat blijkt op dit moment in de praktijk niet altijd eenvoudig.
Daarnaast is toekomstig onderzoek erop gericht
om die exostosen te kunnen identificeren die kwaadaardig zullen worden, zodat deze
tijdig verwijderd kunnen worden. Indien HME-patiënten, waarbij exostosen verwijderd
zullen worden, willen meewerken aan dit onderzoek kan contact opgenomen worden met
de afdeling pathologie van het Leids Universitair Medisch Centrum voor nadere informatie.
Klinische praktijk
Het is ook van het grootste belang dat
er verder onderzoek gedaan wordt naar de klinische verschijnselen van de HME zelf.
Er is recent een artikel verschenen (Carroll et al) waarin werd aangegeven dat er duidelijk verschillende verschijnselen te zien waren tussen groepen (families) die wel of geen chromosoom 8 (EXT1) afwijking hadden. Er werden drie groepen onderscheiden en men zag duidelijke verschillen in vormen van exostosen (steelvormig of brede basis), vergroeiingen en pijnklachten. Dit onderzoek werd echter uitgevoerd bij een betrekkelijk kleine groep en de conclusies zouden nog te weinig onderbouwd zijn door experimenten. Er moet nog veel meer extra onderzoek verricht worden om deze groepen indeling te bevestigen of juist te verwerpen.
In een ander recent
onderzoek (Porter et al) werd aangeven dat groeiachterstand bij HME het gevolg zou
kunnen zijn van locale effecten van groeiende, breedvormige exostosen. Dit roept
de vraag op of het verwijderen van exostosen niet eerder zou moeten plaats vinden,
zodat de groeiachterstand met mogelijke vergroeiing van het bot geen of minder kans
krijgt. Maar ook bij dit onderzoeksresultaat kunnen nog geen definitieve conclusies
getrokken worden en is er meer onderzoek nodig.
Ook in ons land (Ham)
is onderzoek gaande waar de specifieke klinische gegevens van HME-patiënten (families)
in kaart wordt gebracht. Er zijn al ideeën voor een follow-up onderzoek hierbij.
De gevolgen van de HME op iemands welbevinden en gezondheidstoestand
ten gevolge van pijn en andere belemmerende factoren is een onderzoeksonderwerp
waar ik zelf zeer in geïnteresseerd ben. Ik hoop de gelegenheid te krijgen om hier
als gezondheidswetenschapper zelf onderzoek naar te kunnen doen.
Tenslotte
Al met al zijn er nog veel vragen en veronderstellingen /
hypothesen die aanleiding geven om verder onderzoek te doen.
Tenslotte mag de hoop gekoesterd worden dat
de verdere kennis over HME de poorten zal openen tot een nog betere diagnostiek,
operatietechnieken en andere gerichtere vormen van behandeling.
NOTEN
(1)
Drs. Jan de Lange, verpleegkundige/gezondheidswetenschapper,
zelf HME-patiënt en voorzitter van de HME-lotgenotencontactgroe. Werkzaam in het
Revalidatiecentrum Blixembosch te Eindhoven. Correspondentieadres: Buntlaan
9, 5691 WX Son, tel. 0499-479293, Email:
jan.delange@kpnmail.nl
(2)
De HME-lotgenotencontactgroep Nederland is opgericht in 1998
en onderdeel van de Stichting Patiëntenbelangen Orthopaedie (SPO). Secretariaat:
Marion Post, Geert Lammertslaan 8, 8421 RT Oldeberkoop,
(3)
Met dank voor hun adviezen aan: Mw. Dr. M.J.A.
Smid-Geirnaerdt, radioloog, Leids Universitair Medisch Centrum en het
Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis Amsterdam, Mw. Dr. J.V.M.G. Bovée, patholoog
i.o. Leids Universitair Medisch Centrum, Dr. W. Wuyts, biochemicus, Centrum
Medische Genetica, Universiteit Antwerpen, Dr. J.B.A. van Mourik, orthopedisch
chirurg, Sint Joseph Ziekenhuis Veldhoven, Drs. R.J.E.M. Smeets, revalidatiearts,
Revalidatiecentrum Blixembosch Eindhoven en Dr. S.J. Ham, orthopedisch chirurg,
Onze Lieve Vrouwe Gasthuis Amsterdam. Tevens dank aan drs. Frans Schelbergen
voor zijn hulp bij de lay-out.
Artikel ‘Het Multipel Exostose Syndroom’.
In: Folia Genetica, 1994, 4, 12 - 14.
Bernard, M.A., et al. ‘Diminished Levels of the
Putative Tumor Suppressor Proteins EXT1 and EXT2 in Exostosis Chrondrocytes’.
In: Cell Motility and the Cytoskeleton, 2001, 48, 149 – 162.
Bovée, J.V.M.G., A molecular genetic characterisation
of cartilaginous tumors. Proefschrift, Leiden, 2000.
Caroll, K.L., et al. ‘Clinical Correlation to Genetic
Variations of Hereditary Multiple Exostosis’. In: Journal of Pediatric Orthopaedics,
1999, 19, 785 – 791.
Diepstraten, A.F.M., B. van Linge & B.A. Swierstra.
Kinderorthopedie, Utrecht, 1993, 10 - 11 + 20 + 96.
Geirnaerdt, M.J.A., Cadolinium-enhanced MR imaging
in the diagnosis of cartilaginous tumors. Proefschrift, Leiden, 1998.
Ham, S.J. & P. G.M. Maathuis. ‘Radiologisch onderzoek
bij Hereditaire Multiple Exostosen in de Orthopaedische praktijk’.
In: HME-Newsflash nr. 4, oktober 2000, 6 – 8.
Ham, S.J. & P. G.M. Maathuis. ‘Chirurgische behandeling
bij Hereditaire Multiple Exostosen (HME)’. In: HME-Newsflash nr. 4, oktober
2000, 9 – 11.
Harris, N.H. Postgraduate Textbook of Clinical
Orhopaedics. Bristol/London/Boston, 1983, 613 - 614 + 651 - 654.
Hennekam, R.C.M., ‘Syndrome of the month, Heriditary
Multiple Exostoses’. In: Journal of Medical Genetics, 1991, 28, 262 -
266.
Legeai-Mallet, L., et al. ‘Incomplete penetrance and expressivity skewing in Hereditary multiple exostoses’.
In: Clinical Genetics, 1997, 52, 12 -16.
Linden, van der A.J. & H. Claessens. Leerboek
Orthopedie. Houten/Zaventem, 1991, 26 - 28 + 90 - 93.
Luckert Wicklund, C., R.M. Pauli,
D. Johnston & J.T. Hecht. ‘Natural History Study of Hereditary Multiple
Exostoses’. In: American Journal of Medical Genetics, 1995, 55, 43 –
46.
McCormick, C., G. Duncan & F. Tufaro. ‘New perspectives
on the molecular basis of hereditary bone tumours’. In: Molecular Medicine
Today, 1999, 5, 481 – 486.
Menchetti, G. & A. Pompella.
‘Hereditary Multiple Exostosis: Pediatric Aspects and Differential Diagnosis’.
In: Pediatric Rec. Commun,.1989, 3, 261 - 270.
Mol, W., A. H.M. Colaço Belmonte
& R. Strikwerda. Compendium Orthopedie. Lochem, 1967, 109 - 110.
National Organization for Rare Disorders, Inc. USA.
1993, Informatie over Multiple Exostoses (973).
Philippe, C., et al. ‘Mutation
Screening of the EXT1 and EXT2 Genes in Patients with Hereditary Multiple Exostoses’.
In: American Journal of Human Genetics, 1997, 61, 520 - 528.
Porter, D.E., et al. ‘Clinical
and Radiographic Analysis of Osteochondromas and Growth Disturbance in Hereditary
Multiple Exostoses’. In: Journal of Pediatric Ortopaedics, 2000, 20,
246 – 250.
Pronk, J.C., et al. Medische
genetica. Utrecht, 1985.
Schmale, G.A., E.U. Conrad & W.H.
Raskind. ‘The Natural History of Hereditary Multiple Exostoses’. In:
The Journal of Bone and Joint Surgery, 1994, 76-A. 7, 986 - 992.
Support group Hereditary Multiple Exostoses, Oxford
(UK). Informatiebulletin van de Engelse lotgenotengroep HME.
Winter, F., De Pijn de Baas. Enschede, 1988.
Wuyts, W., ‘Genetische aspecten van Multiple Exostoses’.
In: HME-Newsflash nr. 2, december 1999, 4 – 5.
Wuyts, W., Identification of
a new famaly of EXT genes /Identificatie van een nieuwe familie van EXT genen.
Proefschrift, Antwerpen 1997-1998.
Wuyts, W., et al. ‘Mutations
in EXT1 and EXT2 genes in Hereditary Multiple Exostoses’. In: American. Journal
of Genetics, 1998, 62, 346 - 354.
Wuyts, W., et al. ‘Positional
cloning of a gene involved in Hereditary Multiple Exostoses’. In: Human
Moleculair Genetics, 1996, 5, 10, 1547 - 1557.
Wuyts, W., W van Hul, E. Reyniers & P.J. Willems.
‘Het Multiple Exostose Syndroom, genetische aspecten’ In: Tijdschrift voor
Geneeskunde, 1995, 51, 3, 191 - 195.
Wuyts. W. et al. ‘Indentification
and Characterization of a Novel Member of the EXT Gene Family, EXT2’ In: European Journal of Genetics, 1997, 5, 382 - 389.
Wu, Yuan-Qing, et al. ‘Assignment of a second locus for multiple exostoses to the pericentromenic region of chromosome 11’. In: Human Moleculair Genetics, 1994, 3, 3, 167 -171.